Vanensntens = ? de piekedroid = ? zat er een visse = ? achter de wierekies = ?
= Over de volledige lengte van de prikkeldraad zat er een bunzing achter de eendekuikentjes.
En dan nu, iets helemaal anders.
Een heel bijzonder aspect van het zuidwestoostvlaams dialect is de vervoeging van werkwoorden. Vooral in de verleden tijd krijgen we prachtige staaltjes van ons toch wel schitterende taaltje:
Tegenwoordige tijd Verleden Tijd
ik spele ik speeldege
gij speelt gij speeldeget
ij of zij speelt ij of zij speeldege
wulder speeln wulder speeldegen
gulder speelt gulder speeldegen
zulder speeln zulder speeldegen
Geheel uniek is de vervoeging van de werkwoorden hebben en zijn:
Hebben:
1. Kekik
2. Getgij
3. ijeetij, seesij en tee
4. men wulder (ook: memmewulder of wenwulder)
5. get gulder
6. sen zulder
Zijn:
1. kbennekik
2. ge zijt gij
3. ijestiejij, sesij en tes
4. we zijn wulder
5. ge zijt gulder
6. se zijn zulder
Wat nog unieker is, is dat we ook ja en nee kunnen vervoegen:
Ja Nee
jok nienek
jog nieg
joij, jois en joit nienie, niens en nient
jom niem
jogt niegt
jois niens
Zo bijvoorbeeld:
Gistren speeldegekik mee mene kameroid duikske = ? in tstruut = ?. Zitte gulder doir? riep meen voider. Jom, riepekik. Ge zijt gulder zeker nie goe, ge goit van den delte = ? valln, zei meen voider. Ba niem, zeikik, we zijn wulder veurzichtig, zan. En ois me valln, valln min de messink = ?